De avond was al bijna overgegaan in de nacht. Het was een mooie avond geweest, met lekker eten, goede wijn en goede gesprekken. We moesten ervoor naar Katendrecht, maar een mens kan nu eenmaal niet alles hebben. We hadden zojuist via de Erasmusbrug de goede, want noordelijke, kant van de Maas weer bereikt, toen hij ineens midden op het fietspad ging staan, aan de voet van de brug. In een roman van dertig jaar geleden zou hij worden omschreven als zonderling.
Zijn haren had hij al een behoorlijk lange tijd niet gewassen, je hoefde niet heel dichtbij te komen om dat te zien. Zijn ogen gingen alle kanten op, maar zelden de kant op van degene tot wie hij het woord richtte. Want dat deed hij, hij richtte het woord tot ons. ‘Goedenavond heren, als ik even wat van uw tijd mag gebruiken, op deze warme en zachte avond’. Zijn kleding had bepaald niet hetzelfde cachet als zijn woordkeus.
Hij wees naar een krakkemikkige fiets die even verderop tegen een lantarenpaal stond. Het was vanwege die fiets dat hij ons aangesproken had. Hij wilde zijn verhaal kwijt. Iets te roken, te snuiven of te spuiten wilde hij ook wel, maar dat hadden we niet. Het enige wat we voor hem konden betekenen, was luisteren naar zijn verhaal.
Zijn fiets had een lege band. Een lege band, geen lekke, dat wilde hij wel even duidelijk gemaakt hebben. En hij beschikte over slechts een halve fietspomp. Pomp daar maar eens een lege fietsband mee op. De halve pomp was volgens hem trouwens een wandelstok. Het moet een merkwaardig tafereel geweest zijn voor voorbijgangers: twee jonge mannen en een zwerver die, tegen middernacht, midden op het fietspad discussiëren of het voorwerp op de grond nu een halve fietspomp of een wandelstok is.
Op de Bergweg was hij die middag een fietsenwinkel binnengestapt, met de vraag of hij zijn band op mocht pompen. Een logische vraag. Hij mocht zijn blik dan niet kunnen fixeren, hij mocht dan stinken als een vuilstort in de brandende zon, gevoel voor logica kon hem niet ontzegd worden. Het mocht niet. De fietsenmaker liet hem zijn band niet oppompen. Toen was hij maar gaan lopen, heel de dag, door de stad. Totdat hij dus hier, vlak voor middernacht bij de Erasmusbrug was aanbeland.
Plots haalde hij zijn een formulier uit zijn rugzak, die hij handig in de mand op het stuur van mijn gezelschap had gestopt. Als we dachten zomaar weg te kunnen fietsen hadden we het mis. Om welke reden dan ook wilde hij ons zijn professie kenbaar maken. Bij het lichtje op mijn stuur zocht hij naar de regel waarop zijn beroep stond afgedrukt. ‘Wat staat hier?’ vroeg hij aan mij, toen hij de juiste regel gevonden had. ‘Dichter’, antwoordde ik, want ‘dichter’ was wat er op het formulier stond. Had er ‘strandjutter’ gestaan, dan had ik ‘strandjutter’ gezegd. Zo ben ik. Maar er stond dus ‘dichter’.
We maakten aanstalten om de dichter alleen te laten met zijn halve fietspomp en zijn lege fietsband. Over minder dan negen uurtjes wachtte alweer een nieuwe, noeste werkdag. Dat was buiten de dichter gerekend. Hij begon voor te dragen. Uit eigen werk. Of andermans werk. Of misschien begon hij gewoon lukraak wat woorden te roepen, dat kan ook. Erg verstaanbaar was het niet. Expressief was het wel. Hij maakte er wilde armbewegingen bij en af en toe deed hij iets wat leek op danspasjes. Toen er vanaf de brug een politiebusje de hoek omreed, begon hij onwaarschijnlijk te schelden. Het had best bij het gedicht kunnen horen. Na een paar minuten hield hij op met praten. We gokten erop dat het het einde van het gedicht was en gaven hem wat halfbakken complimenten, die hij aangreep om ons nog een keer te vragen of we wat te roken, snuiven of spuiten hadden. Dat hadden we nog steeds niet. Verder hoefde hij niets. Hij leefde van de lucht, zei hij wijzend op zijn halve fietspomp. Dat had hij de weigerende fietsenmaker op de Bergweg ook gezegd. ‘Ik hoef verder niets. Ik leef van de lucht’. Ik keek naar de krakkemikkige fiets, die eenzaam, met een lege achterband, tegen de lantarenpaal hing.
dinsdag 3 mei 2011
vrijdag 29 april 2011
Column CultuurBewust.nl
Ik kreeg een klacht, gisteren. Van een van mijn tafelgenoten in het zeer aan te raden Rotterdamse restaurant De Jonge De Jong. Of ik, nu ik aan het twitteren geslagen was, de oude social media in de steek gelaten had. Met oude social media bedoelde hij het weblog. Een beetje gelijk had hij wel. Ik heb al een tijdje niets meer van me laten horen. Dat gebeurt wel eens. Er is geen specifieke reden voor. Misschien krijg ik ineens weer de geest, bent u nog niet bijgekomen van het ene stuk, terwijl het volgende u alweer om de oren vliegt. Blijf gewoon af en toe kijken of er nieuw leesvoer is.
Welnu. Speciaal voor een van mijn tafelgenoten van gisteren in het zeer aan te raden Rotterdamse restaurant De Jonge de Jong (sommige dingen kun je niet vaak genoeg zeggen): Lees hier mijn jongste column voor Cultuurbewust.nl, de aflevering van 21 april. Als ik zeg dat het speciaal voor een van mijn tafelgenoten in het zeer aan te raden Rotterdamse restaurant De Jonge De Jong is, bedoel ik dat u het allemaal mag lezen.
Aan het einde van de avond, aan de voet van de Erasmusbrug, hadden ik en een van de andere tafelgenoten trouwens een wonderbaarlijke ontmoeting met een paranoïde zwerver, die plotseling midden op het fietspad ging staan. Hij vroeg niet om geld, wel om drugs of iets te roken, wat we beiden niet hadden. En lucht voor in zijn fietsbanden, daar vroeg hij ook om. Hij droeg een halve fietspomp met zich mee, maar volgens hemzelf was het een wandelstok. Als u meer wilt weten over deze wonderbaarlijke ontmoeting, moet u het maar laten weten.
Welnu. Speciaal voor een van mijn tafelgenoten van gisteren in het zeer aan te raden Rotterdamse restaurant De Jonge de Jong (sommige dingen kun je niet vaak genoeg zeggen): Lees hier mijn jongste column voor Cultuurbewust.nl, de aflevering van 21 april. Als ik zeg dat het speciaal voor een van mijn tafelgenoten in het zeer aan te raden Rotterdamse restaurant De Jonge De Jong is, bedoel ik dat u het allemaal mag lezen.
Aan het einde van de avond, aan de voet van de Erasmusbrug, hadden ik en een van de andere tafelgenoten trouwens een wonderbaarlijke ontmoeting met een paranoïde zwerver, die plotseling midden op het fietspad ging staan. Hij vroeg niet om geld, wel om drugs of iets te roken, wat we beiden niet hadden. En lucht voor in zijn fietsbanden, daar vroeg hij ook om. Hij droeg een halve fietspomp met zich mee, maar volgens hemzelf was het een wandelstok. Als u meer wilt weten over deze wonderbaarlijke ontmoeting, moet u het maar laten weten.
woensdag 23 maart 2011
Column CultuurBewust.nl
Voor het culturele webmagazine CultuurBewust.nl schrijf ik elke twee weken de muzikale column Cesuur. Lees de aflevering van zondag 20 maart hier als u wilt weten of er ook in Azië popmuziek gemaakt wordt. Het antwoord is natuurlijk ja, maar lees het stukje toch maar even.
maandag 7 maart 2011
Column CultuurBewust.nl
Voor het culturele webmagazine CultuurBewust.nl schrijf ik elke twee weken de muzikale column Cesuur. Lees de aflevering van zaterdag 5 maart hier als u wilt weten waarom ik treurig word van het luisteren naar The Pogues, toch een van de leukste bands aller tijden.
woensdag 16 februari 2011
De vrouwen in mijn kast
Een wandeling langs mijn boekenkasten zou voor Cisca Dresselhuys geen fijne tijdsbesteding zijn. Bepaald geen walk in the park. Of het voor mij een fijne tijdsbesteding zou zijn om Cisca Dresselhuys thuis te ontvangen en haar mijn verzameling boeken te tonen, moeten we maar buiten beschouwing laten. Ik denk dat u het antwoord best weet. Cisca die de ruggen van mijn boeken inspecteert. Het is geen prettig gezicht. Ook voor Cisca niet. Mijn boekenkast telt opvallend weinig literatuur van vrouwelijke auteurs. Zonder opzet. Denk ik.
Ik geef u een rondleiding. De eerste vrouw die we tegenkomen in mijn kasten is Anna Gavalda. Met een G. Mijn boekenkast staat op alfabet. Dat mag u aanstellerij vinden, voor deze rondleiding komt het toch maar donders goed uit, of niet soms. Van Anna Gavalda recenseerde ik voor CultuurBewust.nl haar roman Helemaal gelukkig word je nooit, een boek dat ik vooral koos vanwege de geweldige titel. Van Anna Gavalda had ik toen nog nooit gehoord. Ik had er geen spijt van, de inhoud bleek niet minder mooi dan de titel.
Gaan we verder. We komen bij de h. De h is van Haasse, dat weet iedereen. Natuurlijk staat Oeroeg in de kast, al moet ik eerlijk bekennen dat het mijn vriendin was die het boek al in bezit had toen ik bij haar ging wonen. Oeroeg las ik voor mijn studie Nederlands. Zwaar overschat boek. Moeten we verder maar met rust laten. Als u het met me oneens bent hoor ik het wel.
Wat een weelde, de h telt nog een vrouwelijke auteur. Een auteurette, zo u wilt. Sanneke van Hassel. Ook haar verhalenbundel Witte Veder las ik in opdracht van de Universiteit Utrecht. Niemendalletje. Saaie anekdotes van saaie personages. Moving on.
Het alfabet glijdt voorbij, verbazing overvalt me. Heb ik echt zo weinig vrouwelijke literatuur gelezen? Na Sanneke van Hassel stuit ik alleen nog op De garnalenpelster van Nilgün Yerli. Ik las het lang geleden, maar ik herinner me dat ik het nogal vals sentimenteel vond. Ik zie ook nog Faint Praise van Gail Pool, maar om dat boek over literatuurkritiek in de Verenigde Staten nu tot de literatuur te rekenen…. Wel interessant boek trouwens. Tussen de nog ongelezen boeken vind ik nog wat van Hermine Heijermans, Marga Minco, Nadine Gordimer en Sandra Cisneros, maar daar houdt het wel zo’n beetje mee op.
Gelukkig is er altijd goede vriend R. nog. En zijn werkgevers bij de Boekenkrant. R. gaf me drie titels van Carry van Bruggen, en eentje van Esther Jansma. Misschien toch eens in beginnen. De Boekenkrant vroeg me Gitte, de nieuwe roman van Kristien Hemmerechts te recenseren. Ik las het boek met veel plezier. De recensie werd lovend. Sorry Cisca, ik zal wat beter mijn best doen. Ik doe het ook niet expres. Echt niet.
Ik geef u een rondleiding. De eerste vrouw die we tegenkomen in mijn kasten is Anna Gavalda. Met een G. Mijn boekenkast staat op alfabet. Dat mag u aanstellerij vinden, voor deze rondleiding komt het toch maar donders goed uit, of niet soms. Van Anna Gavalda recenseerde ik voor CultuurBewust.nl haar roman Helemaal gelukkig word je nooit, een boek dat ik vooral koos vanwege de geweldige titel. Van Anna Gavalda had ik toen nog nooit gehoord. Ik had er geen spijt van, de inhoud bleek niet minder mooi dan de titel.
Gaan we verder. We komen bij de h. De h is van Haasse, dat weet iedereen. Natuurlijk staat Oeroeg in de kast, al moet ik eerlijk bekennen dat het mijn vriendin was die het boek al in bezit had toen ik bij haar ging wonen. Oeroeg las ik voor mijn studie Nederlands. Zwaar overschat boek. Moeten we verder maar met rust laten. Als u het met me oneens bent hoor ik het wel.
Wat een weelde, de h telt nog een vrouwelijke auteur. Een auteurette, zo u wilt. Sanneke van Hassel. Ook haar verhalenbundel Witte Veder las ik in opdracht van de Universiteit Utrecht. Niemendalletje. Saaie anekdotes van saaie personages. Moving on.
Het alfabet glijdt voorbij, verbazing overvalt me. Heb ik echt zo weinig vrouwelijke literatuur gelezen? Na Sanneke van Hassel stuit ik alleen nog op De garnalenpelster van Nilgün Yerli. Ik las het lang geleden, maar ik herinner me dat ik het nogal vals sentimenteel vond. Ik zie ook nog Faint Praise van Gail Pool, maar om dat boek over literatuurkritiek in de Verenigde Staten nu tot de literatuur te rekenen…. Wel interessant boek trouwens. Tussen de nog ongelezen boeken vind ik nog wat van Hermine Heijermans, Marga Minco, Nadine Gordimer en Sandra Cisneros, maar daar houdt het wel zo’n beetje mee op.
Gelukkig is er altijd goede vriend R. nog. En zijn werkgevers bij de Boekenkrant. R. gaf me drie titels van Carry van Bruggen, en eentje van Esther Jansma. Misschien toch eens in beginnen. De Boekenkrant vroeg me Gitte, de nieuwe roman van Kristien Hemmerechts te recenseren. Ik las het boek met veel plezier. De recensie werd lovend. Sorry Cisca, ik zal wat beter mijn best doen. Ik doe het ook niet expres. Echt niet.
Labels:
literatuur
zaterdag 5 februari 2011
Column CultuurBewust.nl
Voor het culturele webmagazine CultuurBewust.nl schrijf ik elke twee weken de muzikale column Cesuur. Lees de aflevering van zaterdag 5 februari hier als u wilt weten waarom u zo snel mogelijk naar uw platenzaak moet lopen om iets van Maarten van Roozendaal te kopen.
maandag 24 januari 2011
Waarom ik nooit Joop Hiele ben geworden
Nadat Feyenoord afgelopen zaterdagavond nogal schlemielig verloren had van De Graafschap schijnen Feyenoordspelers Stefan de Vrij en Georginio Wijnaldum huilend het veld afgelopen te zijn. De juiste schrijfwijze van Georginio Wijnaldum heb ik opgezocht. Vroeger heetten voetballers nog gewoon Kick Smit. Ik denk niet dat Kick Smit ooit huilend van het veld is gestapt, maar Georginio deed het wel.
Net als ik. Ik ben ook ooit eens jankend en tierend richting kleedkamers gerend. Het was in mijn roemruchte periode als doelman van een pupillenelftal van Voetbal Vereniging Kethel uit Schiedam. Rood shirt, zwarte broek. Mooie club. Ik nam mijn taak als keeper serieus op. Ik zou de nieuwe Joop Hiele worden. Of eigenlijk zou ik Joop Hiele worden. Niet meer en niet minder. We speelden een van de vele derby’s (Schiedam kende in die tijd nogal wat voetbalclubs) , op het terrein van Excelsior ’20. Duels tegen die zwart-wit gestreepten zagen we met angst en beven tegemoet, want meestal verloren we ze. Of dat die bewuste dag ook het geval was, staat me niet meer bij, maar de nasleep van de wedstrijd zal ik niet snel vergeten.
Zoals te doen gebruikelijk bij het pupillenvoetbal, vormde niet de wedstrijd zelf, maar de traditie erna het hoogtepunt van de waterkoude winterdag: penaltyschieten. Alle spelertjes van beide partijen schoten een strafschop op de keeper van de tegenstander, vanaf een afstand die door de scheidsrechter, meestal gekleed in spijkerbroek en dikke onmodieuze winterjas, met voetstappen was gemeten. De twee keepers waren als laatste aan de beurt, druk als ze waren met het tegenhouden van de punters en peunen van de vijand.
Tijdens de penanties tegen Excelsior ’20 ging ik zo op in de strijd dat ik het niet hoorde toen de scheidsrechter vroeg of iedereen aan de beurt was geweest. Tot mijn stomme verbazing begonnen spelertjes, trainers, ouders en scheidsrechter aan de modderige gang naar de kleedkamers en kantine. ‘Hé, wacht. Ik moet nog. Ik heb nog geen penantie genomen!’ gilde ik over het veld. De scheidsrechter was onverbiddelijk. Het was welletjes. Moet je maar opletten keepertje. Wat zich daarna voltrok, heeft zich in een roes afgespeeld, maar het verhaal wil dat ik volkomen ontroostbaar de hele kleedkamer bij elkaar geschreeuwd heb. Dat ik een week later alweer de kans zou krijgen een nieuwe strafschop te schieten was geen argument.
Niet veel later kwam trouwens aan mijn carrière als doelman een abrupt einde. We speelden onder heel wat betere omstandigheden een vriendschappelijk toernooi tijdens de Aleidafeesten, in het Schiedamse Julianapark. De tegenstander herinner ik me niet, maar we waren vele klassen beter. Het gevolg was dat ik werkloos in mijn doel stond toe te kijken hoe mijn teamgenoten de ene na de andere vlotlopende aanval op de mat legden. De clown die de Aleidafeesten opluisterde met de van clowns bekende grappen en grollen kwam naast mijn doel staan.
‘Verveel je je niet?’
‘Ja.’ Ik was een keeper van weinig woorden. Joop Hiele praatte ook niet veel als hij bij Feyenoord in het doel stond, en zeker niet tegen clowns.
‘Waarom ga je dan niet mee naar voren?’
‘Dat kan niet, ik ben keeper. Ik moet in het doel blijven staan. Als ik meega, is het doel leeg.’
‘Dan ga ik toch in het doel, tot jij terugbent. Dan kan er niets gebeuren.’ Met zijn flapschoenen nog aan kwam hij naast me staan op de doellijn. Clownslogica.
En kinderlogica, want Bobo was nog niet uitgesproken of ik holde het veld over in de richting van de bal. Joop Hiele zou precies hetzelfde gedaan hebben. Toen ik net iets over de middenlijn gekomen was, het veld was een stuk kleiner dan tijdens competitiewedstrijden, merkten mijn medespelers mij op. Na een weergaloze combinatie over links kreeg ik de bal toegeschoven. Ik bedacht me geen moment en gaf de bal een peun zoals alleen Schiedammers dat kunnen. Een seconde later zag ik het lederen monster snoeihard in de rechterbovenhoek van het vijandelijke doel tegen de touwen slaan. Wat een genot. Met twee armen in de lucht rende ik over het veld. Wat had ik al die tijd in dat doel staan doen? Die Joop Hiele, dat was toch eigenlijk ook maar gewoon een blaaskaak met handschoenen en een gewatteerd shirt. Nooit meer heb ik nog wedstrijd in een voetbaldoel doorgebracht. De rest van mijn weinig spraakmakende carrière ging ik als veldspeler door het leven.
Als die clown er nu niet geweest was, als ik de rest van dat vriendschappelijke partijtje tussen de palen was blijven staan. Misschien had Feyenoord dan na Joop Hiele nog een Joop Hiele gehad. Dan was het heel anders afgelopen met de rood-witten van Zuid. Dan hadden Stefan de Vrij en Georginio Wijnaldum ook niet huilend van het veld hoeven te lopen. Mea culpa.
Net als ik. Ik ben ook ooit eens jankend en tierend richting kleedkamers gerend. Het was in mijn roemruchte periode als doelman van een pupillenelftal van Voetbal Vereniging Kethel uit Schiedam. Rood shirt, zwarte broek. Mooie club. Ik nam mijn taak als keeper serieus op. Ik zou de nieuwe Joop Hiele worden. Of eigenlijk zou ik Joop Hiele worden. Niet meer en niet minder. We speelden een van de vele derby’s (Schiedam kende in die tijd nogal wat voetbalclubs) , op het terrein van Excelsior ’20. Duels tegen die zwart-wit gestreepten zagen we met angst en beven tegemoet, want meestal verloren we ze. Of dat die bewuste dag ook het geval was, staat me niet meer bij, maar de nasleep van de wedstrijd zal ik niet snel vergeten.
Zoals te doen gebruikelijk bij het pupillenvoetbal, vormde niet de wedstrijd zelf, maar de traditie erna het hoogtepunt van de waterkoude winterdag: penaltyschieten. Alle spelertjes van beide partijen schoten een strafschop op de keeper van de tegenstander, vanaf een afstand die door de scheidsrechter, meestal gekleed in spijkerbroek en dikke onmodieuze winterjas, met voetstappen was gemeten. De twee keepers waren als laatste aan de beurt, druk als ze waren met het tegenhouden van de punters en peunen van de vijand.
Tijdens de penanties tegen Excelsior ’20 ging ik zo op in de strijd dat ik het niet hoorde toen de scheidsrechter vroeg of iedereen aan de beurt was geweest. Tot mijn stomme verbazing begonnen spelertjes, trainers, ouders en scheidsrechter aan de modderige gang naar de kleedkamers en kantine. ‘Hé, wacht. Ik moet nog. Ik heb nog geen penantie genomen!’ gilde ik over het veld. De scheidsrechter was onverbiddelijk. Het was welletjes. Moet je maar opletten keepertje. Wat zich daarna voltrok, heeft zich in een roes afgespeeld, maar het verhaal wil dat ik volkomen ontroostbaar de hele kleedkamer bij elkaar geschreeuwd heb. Dat ik een week later alweer de kans zou krijgen een nieuwe strafschop te schieten was geen argument.
Niet veel later kwam trouwens aan mijn carrière als doelman een abrupt einde. We speelden onder heel wat betere omstandigheden een vriendschappelijk toernooi tijdens de Aleidafeesten, in het Schiedamse Julianapark. De tegenstander herinner ik me niet, maar we waren vele klassen beter. Het gevolg was dat ik werkloos in mijn doel stond toe te kijken hoe mijn teamgenoten de ene na de andere vlotlopende aanval op de mat legden. De clown die de Aleidafeesten opluisterde met de van clowns bekende grappen en grollen kwam naast mijn doel staan.
‘Verveel je je niet?’
‘Ja.’ Ik was een keeper van weinig woorden. Joop Hiele praatte ook niet veel als hij bij Feyenoord in het doel stond, en zeker niet tegen clowns.
‘Waarom ga je dan niet mee naar voren?’
‘Dat kan niet, ik ben keeper. Ik moet in het doel blijven staan. Als ik meega, is het doel leeg.’
‘Dan ga ik toch in het doel, tot jij terugbent. Dan kan er niets gebeuren.’ Met zijn flapschoenen nog aan kwam hij naast me staan op de doellijn. Clownslogica.
En kinderlogica, want Bobo was nog niet uitgesproken of ik holde het veld over in de richting van de bal. Joop Hiele zou precies hetzelfde gedaan hebben. Toen ik net iets over de middenlijn gekomen was, het veld was een stuk kleiner dan tijdens competitiewedstrijden, merkten mijn medespelers mij op. Na een weergaloze combinatie over links kreeg ik de bal toegeschoven. Ik bedacht me geen moment en gaf de bal een peun zoals alleen Schiedammers dat kunnen. Een seconde later zag ik het lederen monster snoeihard in de rechterbovenhoek van het vijandelijke doel tegen de touwen slaan. Wat een genot. Met twee armen in de lucht rende ik over het veld. Wat had ik al die tijd in dat doel staan doen? Die Joop Hiele, dat was toch eigenlijk ook maar gewoon een blaaskaak met handschoenen en een gewatteerd shirt. Nooit meer heb ik nog wedstrijd in een voetbaldoel doorgebracht. De rest van mijn weinig spraakmakende carrière ging ik als veldspeler door het leven.
Als die clown er nu niet geweest was, als ik de rest van dat vriendschappelijke partijtje tussen de palen was blijven staan. Misschien had Feyenoord dan na Joop Hiele nog een Joop Hiele gehad. Dan was het heel anders afgelopen met de rood-witten van Zuid. Dan hadden Stefan de Vrij en Georginio Wijnaldum ook niet huilend van het veld hoeven te lopen. Mea culpa.
Labels:
observatie,
sport
Abonneren op:
Berichten (Atom)